Voorbeeld

Je vindt ook sprookjes in de bundel ‘Met verhalen op pad’ door Myriam De Keye. Zie op de bladzijde Verkoop

De Rozentuin

Er was eens een bloemenmeisje. Ze woonde in een grote tuin die vol stond met de prachtigste rozen. Er waren grote rozen die heerlijk geurden, in vele kleuren: geel, rood, purper, wit en alle tinten daartussen. Er waren ook kleine roosjes, die straalden niet minder, en ze gaven het bloemenmeisje een inniger gevoel. Het bloemenmeisje liep dagelijks in de rozentuin. Ze keek elke dag hoe ver de rozen hun blaadjes open gespreid hadden en hun hartje lieten zien. Met haar blikken beroerde het meisje de teerste rozen, die schuchter achterbleven. En ook zij gingen bloeien, wonderschoon. Het meisje keek en rook en voelde met haar hart het hart van de rozen. Er was een stil gesprek tussen het meisje en de rozen en dat was een groot geheim. Maar alle bezoekers konden zien hoe weelderig de rozen groeiden en dat er geen mooiere tuin was in het hele land.

Op een dag woedde er een zware storm. De lucht was bijna helemaal zwart. De regen striemde de rozen. De wind ging wild tekeer. De rozen waren heel bang. Het bloemenmeisje liep van de ene roos naar de andere om ze steun en moed te geven, maar ze moest zich inspannen om niet door de wind gegrepen te worden en neergesmakt. Ze zag vertwijfeld hoe de ene roos na de andere gebroken werd nadat ze alle hoop hadden opgegeven. De tranen stonden het meisje in de ogen, en ook de bloemen weenden. En toen begon het ook nog te donderen en te bliksemen. In het groen-witte licht van de bliksem zag de tuin er akelig uit. Er stonden nog maar weinig rozen rechtop. De meeste lagen krachtenloos op de zwarte aarde. Uit het Westen kwam toen een geweldige vuurspuwende draak: hij drong binnen in de rozentuin en zette alles in vuur en vlam.

Het meisje was weggelopen, zo hard ze kon. En ze werd geholpen, want ze zag een spleet in de aarde en ze verschuilde zich daar voor het vuur en het geweld van de draak. De ruimte in de aarde was een vrij groot dierenhol dat niet meer bewoond was.

Het meisje zat er te huilen met haar rug tegen de warme aarde en stilaan ging haar hartje rustiger kloppen. Ze was moe en ze viel in een diepe slaap. Ze sliep zeer lang. Ze droomde over een zaadje dat een reis maakte door de aarde, door de bruin-zwarte aarde, die nu eens los en korrelig, dan weer zwaar en nat was. Het zaadje zag in de aarde landschappen zoals de mensen ze zien op de aarde. Het maakte een heel lange reis tot het tenslotte aankwam op een plekje waar het voelde: hier maak ik mijn bedje. Hier kan ik ontkiemen en wortel schieten. En zo gebeurde het!

Toen het meisje wakker werd uit de droom, vroeg ze zich af of het zaadje een roos zou voortgebracht hebben. Ze hoopte het vurig en ze was vol enthousiasme. Maar toen herinnerde ze zich haar geliefde rozentuin en de verschrikkelijke draak die alles in brand zette! Ze moest weer huilen. Maar ze bedacht ook dat ze niet kon blijven huilen, ze moest iets doen. Ze zou de diepten van de aarde doortrekken om een rozenzaadje te vinden, zoals in haar droom. Ze wist niet hoe het moest, maar ze besloot het en toen bleek dat ze steeds een doorgang kon vinden. De aarde was geen ondoordringbare massa, maar ze zag openingen en paden en er kwam zelfs een vergezicht, waarheen ze zich richtte. Ze hield steeds haar doel voor ogen: het kleine zaadje uit haar droom dat zijn bedje, zijn plekje gevonden had. En ze droeg haar rozen in haar hart. Ze dacht aan elke roos afzonderlijk. Want ze kende ze allen. Ze huilde niet meer, de tocht door de aarde maakte haar moedig, sterk en vertrouwensvol. Ze was alleen, maar niet eenzaam, want haar hart was vervuld van de rozen en elke ochtend deed het nieuwe vergezicht haar denken aan haar doel.

En wat gebeurde er? Het meisje liep en liep en het leek alsof ze de hele aarde doorkruiste, maar in werkelijkheid bleef ze op de plek in de aarde waarboven haar rozentuin was geweest. Ze bracht leven, kracht, beweging en enthousiasme in de aarde. Ze herstelde de verwoeste aarde. En op een dag, hoe lang het geduurd heeft, weet ik niet, maar het kan wel heel lang geweest zijn, toen vond het bloemenmeisje een rozenzaadje. Ze herkende het dadelijk en ze voerden hun intiem gesprek. Ze hielp het zaadje een bedje te vinden en ze wenste het veel geluk. Toen kwam ze steeds weer rozenzaadjes tegen, die ze op de zelfde manier verzorgde. Ze werd steeds gelukkiger. Er rolden nu soms tranen van geluk over haar wangen. En toen ontmoette ze het zaadje van een heel klein rozenstruikje: ze herkende het direct. In een woordenloze taal vertelde het haar dat haar tijd onder de aarde voorbij was, dat het goed was als ze nu terug naar de rozentuin zou gaan.

Het meisje vond de rozentuin op precies dezelfde plek weer, pril en jong, en vol leven voor vlinders, kevers en nog vele andere dieren. Het meisje zag dat het dezelfde rozenstruiken van vroeger waren, maar ze hadden zich vernieuwd: ze waren jong, levenslustig en krachtig en de rozentuin was ook veel groter geworden. Vele mensen kwamen er wandelen en genieten en ontvingen er kracht. Het meisje was vreugdevol en dankbaar en ook zij voelde zich verjongd en vernieuwd.

© Myriam De Keye