Inspiratiebronnen

“Er is maar één woord dat je kan bevrijden van de last van het leven. Dat woord is liefde.” Sophocles

Een nieuw boek in de boekhandel: “Abortus Het taboe nog niet voorbij? Openhartige getuigenissen en informatie over hulp voor het verwerken van het verlies” (Gertie Driessen)

Als biografisch consulent heb ik in het therapeutisch gedeelte een bijdrage geschreven.

Het is een mooi boek geworden dat de lezer erg raakt. Ik krijg dikwijls de tranen in mijn ogen, ook al ken ik dit niet uit eigen ervaring. Maar ik ben heel sensitief  en invoelend en ik weet dat het ene verdriet het andere oproept en elk mens kent zijn eigen leed. Het boek leert mij dat ik niet mag oordelen en roept mij op tot groter mededogen. Het is zo geschreven dat het voor vele lezers toegankelijk is. De prijs is 22 euro.

– Van den Brink: Opengaande vergezichten   Als oudere mensen sterven gaan
– Frits Burger: Biografie en verhaal
– Impressie: In de middag van het leven. Het nieuwe boek van Prinsenberg
– Gedachten over en van Carl Gustav Jung
– Michael White: Narratieve therapie in de praktijk. Verhalen die werken

 

  Margarete van den Brink: Opengaande vergezichten
  Als oudere mensen sterven gaan.

De schrijfster Margarete van den Brink laat zich inspireren door de antroposofie. Deze leer van Rudolf Steiner zegt dat we in ons diepste wezen een geestelijke kern hebben. En we hebben niet 1 lichaam, maar 3: het fysieke lichaam, het etherisch of levenslichaam en het astraallichaam of zielenlichaam. Doordat we een fysiek lichaam hebben, kunnen we onze zintuigen gebruiken en leven in de stoffelijke wereld. Het etherlichaam doortrekt het fysieke lichaam met levenskracht waardoor wij leven, groeien en veranderen. Het heelt de beschadigingen en de ziektes van het fysieke lichaam. In dit etherlichaam worden ook de herinneringen opgeslagen aan alles wat we hebben meegemaakt in dit leven. Het astraallichaam maakt dat we een innerlijke wereld, een ziel hebben, waarin emoties, gevoelens, gedachten, wilsimpulsen en verlangens leven. Door deze zielenkrachten kunnen we de dingen en mensen om ons heen en ook onszelf, voelen en beleven.

In deze lichamen leeft een ‘ik’. Dat ik of zelfbewustzijn geeft ons bewustzijn van onszelf als ik, als persoon op zich. Er is een lager en een hoger ik. Het lagere deel is sterk met het fysieke lichaam verbonden en met de onvrije impulsen uit het astraallichaam. Het hogere deel omvat onze geest, wie we werkelijk zijn. “Onze geest is verwant met het goddelijke. Dat is de reden dat in het diepste van onze ziel – ongeacht of we nu religieus zijn of niet – een oerverlangen leeft naar de bron van ons bestaan.” P30

Er zijn twee grote fasen in het leven: de incarnatiefase en de excarnatiefase. De incarnatiefase loopt vanaf de geboorte tot ongeveer het 40ste , 50ste jaar en alle energie en aandacht is dan gericht op het voor je liggende aardse leven. Er is een soort gretigheid naar de wereld. Je wilt het leven op aarde leren kennen, je ermee verbinden, en bovenal beleven en ervaren.

De excarnatiefase loopt over de tweede levenshelft. Geleidelijk aan maken de geest, de ik-persoonlijkheid, het astrale lichaam, het etherlichaam en het fysieke lichaam zich losser van elkaar. Daardoor treedt stilaan de veroudering van het fysieke lichaam in. Doordat het etherlichaam losser wordt van het fysieke lichaam en daar dus minder sterk kan werken, vindt er minder regeneratie plaats. In de 2de levenshelft worden ook niet-materiële dingen belangrijk en ontstaat er behoefte aan inzicht in de diepere aspecten van het leven.

“In de excarnatiefase bevrijden de geest en het ik zich geleidelijk aan met het astrale en etherische lichaam weer van de fysieke belichaming, totdat uiteindelijk, als het doodsmoment daar is, het fysiek-materiële lichaam geheel en al wordt losgelaten en de mens fysiek gezien, sterft. Zijn ziel en geest daarentegen keren, na bevrijd te zijn van het fysieke lichaam, weer terug naar de geestelijke wereld, de wereld van oorsprong waar zij uit voortgekomen zijn.” P 31

“Dat de mens veel meer is dan zijn fysieke lichaam blijkt onder andere daaruit dat met het ouder worden de lichamelijke krachten afnemen, maar dat tegelijkertijd de krachten van de geest – bewustzijn, afstand kunnen nemen, inzicht, wijsheid – niet verminderen maar juist vrij kunnen komen en toenemen.” P 32 De mens gaat zich meer en meer existentiële bewustzijnsvragen stellen: Wie ben ik eigenlijk? Waar kom ik vandaan? Waartoe ben ik op aarde? Wat wil ik met mijn leven? De mens kan scheppend actief worden en wil zich altijd verder ontwikkelen naar hogere niveaus van bewustzijn en bestaan. In deze excarnatiefase begint de mens zich bewust of onbewust steeds meer voor te bereiden op het einde van het aardse leven en op de overgang naar de geestelijke wereld.

Na de dood betekent verwerken “Met behulp van hoge geestelijke wezens opnieuw doorvoelen en doordenken en de essenties eruithalen: Wat heeft het opgebracht? Wat heb ik aan inzichten veroverd? Wat heb ik geleerd? Wat moet ik nog leren? Wat nog ontwikkelen?” p 35

De titel van dit boek, ‘Opengaande vergezichten’ wordt vooral duidelijk gemaakt in hoofdstuk 8: Het opengaan van de andere werkelijkheid. De stervende leeft in twee werelden: in de alledaagse aardse werkelijkheid en in de geestelijke wereld. Het gebeurt vaak dat stervenden contact hebben met overleden dierbaren in de ‘hemel’. Die kunnen helpen om de overgang te maken van hier naar ginder.

Op het einde van het leven moet nog veel verwerkt worden. Daarom vertellen ouderen zo vaak hetzelfde verhaal. Door te communiceren met hen en door te vragen, kan de zieke zijn ervaringen begrijpen en plaatsen in de context van zijn levensverhaal. Door te vertellen en opnieuw te vertellen, komt hij tot inzichten die hij dan kan meenemen op weg naar de geestelijke wereld. Als het goed is, dan ontdekt de stervende dat de negativiteit, de pijn, het leed en de agressiviteit hun plek krijgen in het beeld van zichzelf en zijn leven. Na het schenken en vragen van vergiffenis, kan de zieke zeggen: “Het is goed zo”.

Met heel veel voorbeelden illustreert Van den Brink wat zich voordoet in de laatste levensfase: de fase van het afscheid nemen van alles in dit aardse leven, en van de overgang naar de andere wereld. De balans wordt opgemaakt, innerlijk, maar ook in gesprekken. De omstaanders kunnen reisgenoot en getuige zijn van het naderende levenseinde, als zij het aandurven openlijk te spreken over het heengaan en over alle gevoelens die erdoor opgeroepen worden. Dit aanwezig zijn voor de stervende noemt ze ‘het sacrament van de nabijheid’. Van den Brink vraagt zich af: Wat moet er nog worden gezegd, wat worden gedaan, voor het vertrek naar de geestelijke wereld? Ze illustreert ook wat het sterven betekent vanuit aards perspectief, en vanuit de geestelijke wereld. En in het laatste hoofdstuk vertelt ze hoe er een zinvol contact kan zijn tussen levenden en gestorvenen na de dood.

Een mooi verhaal is dat over een demente vrouw, die kort voor haar overlijden, enkele minuten helder is en vertelt hoeveel deugd de regelmatige bezoeken hebben gedaan. Tot grote verrassing van de bezoekster die de vrouw nooit zo duidelijk, expliciet had horen spreken over de contacten, het samen wandelen, iets gaan drinken enz. Haar trouw werd beloond door deze onverwachte uitspraak. “In de esoterische traditie, bijvoorbeeld in de antroposofie, legt men dit verschijnsel als volgt uit. Vlak voor het sterven grijpt de zich losmakende geest eerst nog even dieper in het fysieke lichaam – in dit geval met name in de hersenen – om zo het fysieke op het moment van sterven gemakkelijker los te kunnen laten.” P70

Van den Brink is een begenadigd schrijfster. Haar boek is boeiend van begin tot einde en zeer inspirerend.

Margarete Van den Brink: Opengaande vergezichten Als oudere mensen sterven gaan.

uitg Ankh-Hermes, Deventer, 2007. 170 blz.

12,50 Euro

© Myriam De Keye

Merksplas, 2 september 2016

Frits Burger: Biografie en verhaal – Verhalen die licht werpen op de levensloop

Frits Burger, oud-Germanist en psychosociaal werker, heeft een mooi, vlot leesbaar en inspirerend boek geschreven. De kaft is zo veelzeggend door het beeld van het ruwe landschap. Rotsen, hoogten en laagten, een vervallen ruïne en aan de hemel woeste wolken. Zo ziet een levensloop er soms uit. Dit beeld kan in elke levensfase voorkomen.

Frits Burger bespreekt 9 epische verhalen, één voor elke levensfase van 7 jaar, tot aan 63 jaar. Ze zijn niet zoetsappig. Het blijkt dat elke levensfase zware taken in zich draagt, zelfs in de allereerste levensfase. Maar er komt altijd hulp, in de verhalen en in het leven. Eerst van vader en moeder, van onderwijzer en opvoeder, later, in de puberteit, van vrienden en vriendinnen en in het latere leven weer van andere mensen, zoals de schrijver van dit boek. Het is een boek om te lezen en herlezen en te bestuderen. Ook de verhalen vragen om gekend te zijn!

Ik wil je in mijn bespreking meenemen naar twee fasen. De eerste is die van de bewustzijnszielenfase van Parzival die leert de juiste vragen te stellen en die geen nar blijft. In deze zielentijd leven we nu allemaal met onze gehele cultuur. Voor mij was Parzival en veel van wat Frits Burger erover vertelt, zeer herkenbaar. Parzival wil zich ontwikkelen. “In twee richtingen gaat de weg van de bewustzijnsziel: de weg naar binnen die leidt tot bewustwording van de wond (de onbewuste inhouden) en tot zelfkennis, en de weg naar buiten die, geïnspireerd door de nieuw verworven zelfkennis, veranderingen wil doorvoeren in de buitenwereld. Parzival gaat de weg naar binnen. Gawain gaat de weg naar buiten. De weg naar binnen leidt tot een ervaring van een Licht en Liefde die in de bewustzijnsziel begint te stralen, een Licht dat lijkt op het Zonnegeschenk dat we eerder rond ons elfde levensjaar hebben ontvangen vanuit de wereld van de geest. Te midden van ellende, een hongersnood – onze ziel hongert naar zelfkennis – borrelt de Graalkracht die door de Tristanfase halfbewust door ons begon te stromen, omhoog in ons bewustzijn en verschijnt daar als de wonderschone Condwiramurs, de Liefde die ons verder zal geleiden om onszelf op aarde te verwezenlijken. Deze  Liefde is een sociale kracht, een sociaal ideaal, dat naar buiten toe gedragen wil worden, in een gemeenschap verwezenlijkt wil worden.” P 143

Na elk hoofdstuk geeft Burger een aantal vragen aan de lezer, waarmee hij zijn eigen leven kan onderzoeken. Vragen bij het Parzivalverhaal:

Herken je de confrontatie met de ‘wachter op de drempel’?

Ken je het gevoel om gehoond of uitgelachen te worden?

Heb je wel eens een ander aangeklaagd, beschuldigd, verwijten gemaakt?

Speelt vergeving in je leven een rol?

Voel je je lid van een gemeenschap? Omvat deze gemeenschap ook de wereld van de gestorvenen?

Kun jij je voorstellen dat je naam op de Graal geschreven staat, dat in de onzichtbare burcht je naam bekend is en dat je uitverkoren bent om Graalkoning te worden?

Daarnaast werd ik getroffen door de laatste levensfase die wordt besproken, van 56 tot 63 jaar. Burger vertrekt daar vanuit de boeken over Harry Potter. Ik heb enkele van deze boeken met veel genoegen gelezen. Burger zegt dat Harry Potter in elk boek sterker in contact komt met de dood: mensen, zowel goede als kwade,  die gedood worden, de pijn in Harry’s hoofd, de dodelijke kracht van Voldemort… Harry Potter is bereid alles te verliezen, zegt Frits Burger. Dit jeugdboek bereidt de jeugd voor op later. Op aarde moet er immers veel losgelaten worden.

Verhelderende vragen:

Waar voel je je meer thuis: in de wereld van de Dreuzels (zij die willen vergeten) of in de wereld van de Magiërs (zij die zich willen herinneren)?

Voel je de veranderende werkzaamheid van de gestorvenen en met name van je ouders? Houd een ‘geheim dagboek’ bij van hun invloed op je leven.

Hoe manifesteert zich de wond? Je herkent de wond aan het feit dat zij je steeds nader tot Voldemort brengt, dus de dood.

 

Ik wil dit boek warm aanbevelen aan biografiewerkers.

Merksplas, 15 september 2015
© Myriam De Keye

 Impressie: In de middag van het leven. Het nieuwe boek van Prinsenberg
over biografisch werken.Het leven kan beschouwd worden als een kunstwerk. In hoofdstuk 9 “Onze passies bij het ouder worden” vertelt Prinsenberg over de zeven kunsten die Diether Ruthloff toepast op de levensloop van de mens. De eerste kunst is de architectuur, een metafoor voor het wonen op een bepaalde plek, een bepaalde omgeving, maar ook voor het bewonen van je eigen onvervreemdbare lichaam. De tweede kunst is de beeldhouwkunst. Zij staat voor het vormgeven en ‘plastificeren ‘ van wat echt van belang is zoals partnerschap en beroep, maar ook de persoonlijke drijfveren.Zo vertelt Prinsenberg verder. Hij vertelt over alles wat hij gelezen en geleerd heeft ivm de levensloop en het biografisch werken. Hij geeft visies weer en theorieën. Hij vertelt over interessante boeken en beklijvende (auto)biografische romans. Hij vertelt over mensen en hun lotgevallen.Prinsenberg is mijn leraar geweest en supervisor. Veel van wat in dit boekje staat, heb ik hem uitvoerig en boeiend horen uiteenzetten in cursussen en studiedagen. Voor mij is dit boekje een handige inspiratiebron. Ik neem mij voor het vaak ter hand te nemen om ideeën op te doen. Wat ik mooi, interessant of belangrijk vind heb ik aangeduid.Voor de lezers die niet ‘in het vak’ staan, is het boek ook toegankelijk, door de gemoedelijke verteltrant en de belichting van een aantal belangrijke thema’s vanuit verschillende standpunten. En ook omdat het een dun boekje is dat je toch een brede inkijk geeft. In een hoofdstuk “Werken aan de eigen biografie” worden enige biografische vragen gesteld die als oefening geschikt zijn.Het is een leesbaar boekje geworden over biografisch werken. En “over het belang van het levensverhaal voor de derde leeftijd” (ondertitel) Natuurlijk, als je naar de derde leeftijd wil kijken, moet je ook alles wat eraan voorafging in ogenschouw nemen! En dat doet Prinsenberg, in tien bevattelijke hoofdstukjes, elk met een mooie titel, die zin geeft om te lezen.Ook over het eigen levensverhaal van de schrijver vernemen we iets, in een anecdote vooraf en in een nawoord “De weg naar het biografisch werken”.© Myriam De Keye
Merksplas, 28 januari 2014Gedachten over en van Carl Gustav Jung,
Stevens, Anthony: “Over Jung, leven en werk”Jaren geleden vertelde iemand me over Jung dat hij een mens was die model stond voor de mens van de toekomst. Een mens die de rijkdom van het innerlijke leven even waardevol achtte als het uiterlijke leven. Steeds meer groeien mensen in die richting: er is niet alleen het materiële en het objectieve leven, maar ook de innerlijke biografie die sterk richting- en zingevend is.In het bovenstaande boeiende boek lees ik over het leven van Jung, “van de geboorte tot de volwassenheid” en “vanaf de midlifeperiode tot de dood”. Het leven van Carl Gustav wordt beschreven, maar ook zijn visie en de nieuwe begrippen die hij ontwikkelde. Hij zegt daarover: “Mijn leven is datgene wat ik heb gedaan, mijn geestelijke arbeid. Het werk is een uitdrukking van mijn innerlijke ontwikkeling.” “Zelfs wanneer ik met empirische gegevens werk, spreek ik noodzakelijkerwijze over mezelf.” Stevens zegt dat Jung een genie was in introspectie, en dat is volgens hem het allerbelangrijkste feit. “Door zich naar binnen te keren was hij, de individuele mens, in staat de universele mens voor het voetlicht te brengen die in de duistere uithoeken van zijn eigen ziel verscholen zat.” P 12

 

Over individuatie zegt Jung “dat deze in wezen te maken heeft met ontwaken, met bewustwording en een constant openstaan voor de mogelijkheden tot groei en ontwikkeling die het eigen leven biedt.” p 214 Hij beschouwde individuatie of zelfactualisering als “een uiting van een biologisch proces waardoor al wat leeft wordt wat het vanaf het begin voorbestemd is geweest te worden.” P215 Vooral in de tweede levenshelft is deze ontwikkeling zeer belangrijk, om niet te verstarren of cynisch te worden door de lichamelijke functies die achteruit gaan. Het open staan voor de intense beleving van de eigen onbewuste processen en voor de dromen waarin ze tot uitdrukking komen, is zeer belangrijk in het individuatieproces.

 

Dromen hebben volgens Jung een compenserende activiteit. Daarom is dit een nuttige vraag: “Welke bewuste instelling wordt door de droom gecompenseerd?” Dromen zijn “het meest werkzame hulpmiddel bij de opbouw van de persoonlijkheid”. Het helpt al wanneer men aandacht schenkt aan zijn dromen, zonder ze per se te analyseren. “Alleen al het opschrijven of illustreren ervan, verhoogt hun effect op het ik-bewustzijn sterk.” P 215

 

“De mens zou beslist geen 70 of 80 jaren oud worden, wanneer deze hoge leeftijd niet overeenkwam met de zin van zijn soort. Daarom ook moet de namiddag van het leven een eigen zin en doel bezitten en kan het niet alleen een beklagenswaardig aanhangsel van de ochtend zijn.” P 212 “Voor individuatie kiezen wil zeggen zijn ogen openen voor het feit dat men ouder wordt, gewend raken aan het geluid van de snel naderende gevleugelde strijdwagen des tijds, de eigen successen en mislukkingen, sterke en zwakke punten accepteren en zich opmaken om de egocentriciteit van de jeugd in te ruilen voor de ego-onthechting van de gerijpte volwassene.” P217

 

“Ontwikkeling van de kunst van het alleen-zijn is noodzakelijk, wil het brein op zijn best functioneren, en het individu zijn hoogste potentieel vervullen.” “Het vermogen om met vrucht genoegen te scheppen in je eigen gezelschap is in precies dezelfde mate een kenmerk van emotionele volwassenheid als het vermogen tot het vormen van intieme relaties.” P309

 

Stevens slaat met dit boek een brug tussen biografie en overzichtswerk. Aan de hand van stadia in Jungs persoonlijke en professionele ontwikkeling belicht hij Jungs theorieën over de levenscyclus van de mens, over het collectieve onbewuste, het droomwerk, en de analytische psychologie. Het is een zeer toegankelijk boek om Jung, zijn leven en zijn werk, beter te leren kennen. Het is een aanrader, naast “Herinneringen, dromen, gedachten”, de biografie van Jung, samengesteld door Aniëla Jaffé.

3 december 2014
© Myriam De Keye

Michael White: Narratieve therapie in de praktijk. Verhalen die werken

“Wanneer we aan de tafel gaan zitten (met mijn cliënten), weet ik dat we aan een reis beginnen die we niet van tevoren kunnen vastleggen. Wel weet ik dat we waarschijnlijk schilderachtige routes naar die onbekende bestemmingen zullen nemen. En ik weet dat als we deze bestemmingen naderen, we in andere ervaringswerelden terecht zullen komen. “ p10

Michael White gebruikt graag metaforen in zijn werk, speciaal die metaforen die betrekking hebben op reizen. Het is boeiend hem te volgen in zijn gesprekken met cliënten. Hij geeft in dit boek vele gesprekken uitvoerig weer. Dat is nodig om de soms zelfgemaakte nieuwe begrippen duidelijk te maken. Hij werkt met ouders en kinderen en met partners. Ik wil u een schets geven van wat je kan leren uit dit boek.

Externaliserende gesprekken

Veel mensen geloven dat hun problemen verbonden zijn met hun identiteit en dat ze dus zelf het probleem zijn. In externaliserende gesprekken wordt het probleem gezien als iets objectiefs buiten de persoon. Michael White vraagt aan zijn cliënten, -of het nu een kind is of een volwassene – om zelf een naam te bedenken voor hun probleem. Daardoor ontstaat “een specifieke, ervaringsnabije definitie”. Tijdens dit proces worden de problemen uitvoerig beschreven. De naam voor het probleem is specifiek omdat niemand anders het op exact dezelfde manier ervaart. Dan kan de cliënt omschrijven hoe hij door zijn probleem geplaagd wordt en hoe hij het “te slim af” kan zijn. Het kind of de volwassene krijgt hierdoor iets van zijn vitaliteit en strijdbaarheid terug.

Een tweede fase is een onderzoek naar de effecten van het probleem op verschillende deelgebieden van het leven: thuis, op het werk, op school en in de gezinsverhoudingen en relaties, op de eigen identiteit en het effect op je doelen, verwachtingen, dromen, en waarden en op je toekomst- en levensverwachting.

Een derde fase is het evalueren van de gevolgen van de activiteiten van het probleem. Vragen daarbij zijn: “Ben je het eens met deze activiteiten? Wat vind je van deze ontwikkelingen? Wat betekenen deze ontwikkelingen voor je? Wat vind je van deze gevolgen? Hoe sta je tegenover wat er hier gebeurt? Is dit een positieve of een negatieve ontwikkeling, of beide, of geen van beide, of iets ertussenin? Als dit jou werd verteld dat dit nu eenmaal je lot was, zou je daar dan vragen bij hebben?” p 39
Meestal wordt deze evaluatie gemaakt door derden en niet door de cliënt zelf. Dit geeft hem nu zijn autoriteit terug. En daardoor komt er ook meer openheid voor het standpunt van de ouders. White waarschuwt ervoor ook open te staan voor de eventuele positieve gevolgen van het probleem en dus niet te snel af te ronden.

“De vierde fase stelt een onderzoek in naar het ‘waarom’ van de evaluaties die mensen geven. Het onderzoek wordt meestal ingeleid met vragen als: waarom heb je hier wel/geen probleem mee? Waarom denk je zo over deze ontwikkeling? Waarom kies je voor deze houding in dit proces?” p 42
White merkt op dat deze rechtvaardigheidsvragen geen moreel oordeel inhouden. Omdat de cliënt nooit werd gevraagd naar deze dingen, is het goed dat de therapeut eventueel een voorbeeld geeft om de cliënt op weg te helpen. “In zeker opzicht beschouw ik het gebruik van externaliserende gesprekken als een soort trouwe vriend. Deze mogelijkheid helpt me nu al jaren om vooruitgang te boeken met mensen die in zogenaamd hopeloze situaties verkeerden. In die situaties hebben externaliserende gesprekken veel mensen de mogelijkheid geboden om hun identiteit opnieuw vast te stellen, hun leven op een nieuwe manier te ervaren en zich te wijden aan wat ze zelf belangrijk vinden.” P 51

Reautoriserende gesprekken

“Reautoriserende gesprekken zijn bedoeld om mensen uit te nodigen de verhalen over hun leven verder te ontwikkelen en verhalen te blijven vertellen. Maar ze zijn ook bedoeld om mensen te helpen een aantal verwaarloosde maar potentieel belangrijke gebeurtenissen en ervaringen in hun verhalen op te nemen die ‘uit fase’ zijn met de dominante verhaallijnen. … Deze bijzondere gebeurtenissen of uitzonderingen leveren een vertrekpunt op voor reautoriserende gesprekken. Ze bieden toegang tot de alternatieve verhaallijnen die aan het begin van deze gesprekken nauwelijks zichtbaar zijn….Daardoor worden mensen nieuwsgierig naar aspecten van hun leven en relaties die ze eerder verwaarloosd hadden. En terwijl die gesprekken zich verder ontwikkelen en de alternatieve verhaallijnen worden uitgewerkt, raken ze steeds beter geworteld in hun geschiedenis en geven ze mensen een basis om de problemen van hun leven anders aan te pakken.” P 53

Deze gesprekken worden in kaart gebracht met twee evenwijdige lijnen: het identiteitslandschap met intentionele inzichten, inzicht in wat waarde toegewezen krijgt, intern inzicht en inzichten en kennis. De tweede lijn is het actielandschap. Het bevat gebeurtenissen, omstandigheden, sequenties, tijd en plot. Bij het in kaart brengen worden verbindingen getekend tussen het identiteitslandschap en het actielandschap. En de verhalen die verteld worden, vormen alternatieve verhaallijnen die mensen helpen om een nieuwe blik te krijgen op de eigen identiteit.
“Reautoriserende gesprekken leveren de context waarin veel identiteitsconclusies kunnen ontstaan die in tegenspraak zijn met conclusies die bij de dominante verhaallijnen van het leven van mensen horen. Wanneer deze conclusies worden ondergebracht in de ‘archiefkasten van de geest’, ontnemen ze de overheersende identiteitsconclusies de ruimte die ze voorheen innamen en neemt hun invloed op de vormgeving van het leven van mensen af.” P91
Vaak worden deze gesprekken op gang gebracht door een alternatieve verhaallijn die de ouders aanbrengen.

Re-memberingsgesprekken

Dit woord zouden we kunnen vertalen als ‘vernieuwd lidmaatschap’.
Deze gesprekken gaan over mensen die een rol hebben gespeeld in het leven van de cliënt of nog spelen. Ze zijn lid van de groep mensen die belangrijk zijn voor de cliënt. Ook het omgekeerde is echter waar. Deze mensen kunnen dankbare herinneringen hebben aan de cliënt. Ook de cliënt is voor hen belangrijk. Een dergelijk gesprek kan een keerpunt betekenen waarin de negatieve conclusies die men over zijn eigen identiteit had getrokken, werden afgebroken en vervangen door positieve conclusies. White geeft een voorbeeld van een kind dat een bijzondere band had met een buurvrouw. White stelt dan vragen over de rol die het kind zou gespeeld hebben in het leven van die buurvrouw.

“Re-memberingsgesprekken dragen bij aan de ontwikkeling van een veelstemmig identiteitsbesef, in plaats van het eenstemmige identiteitsbesef dat een kenmerk is van het ingekapselde zelf. In dit veelstemmige identiteitsbesef ontdekken mensen dat hun leven verbonden is met de levens van andere mensen, rond gemeenschappelijke en voor hen belangrijke thema’s.” p 116

Definitionele ceremonies

Tenslotte is er nog een hoofdstuk over “Definitionele Ceremonies” . Hierbij vraagt White toestemming om een oud-cliënt uit te nodigen om getuige te zijn voor het gesprek. Ook hierbij ontstaat een waardevolle en diepgaande verhaalontwikkeling. De getuige wordt door White goed voorbereid op dit gesprek.
“Met definitionele ceremonies kunnen we de problemen van onzichtbaarheid en marginaliteit aanpakken; het zijn strategieën die mensen de mogelijkheid bieden om gezien te worden en op hun eigen voorwaarden getuigen te verzamelen voor hun waardigheid, vitaliteit en bestaan.” P 146

De structuur van definitionele ceremonies is de volgende:
1) De persoon voor wie de definitionele ceremonie is bedoeld, vertelt zijn verhaal.
2) De mensen die zijn uitgenodigd als buitenstaander-getuigen geven een hervertelling van dit verhaal.
3) De persoon voor wie de definitionele ceremonie is bedoeld, geeft zijn hervertelling van de hervertelling van zijn verhaal door de buitenstaander-getuigen. P 150

Dit boek van Michael White is kostbaar door de vele gesprekken die White erin opneemt en de uitvoerige achtergrond die hij geeft bij deze gesprekken. Vaak legt hij ook uit hoe hij tot deze gespreksvoering gekomen is. Ik kan het boek warm aanbevelen, ook aan biografiewerkers.

© Myriam De Keye, biografisch consulente
www.delevensweg.be
info@delevensweg.be
+32(0)14/63.57.24